Parool over een man een man - 2000



20/12/2000 - door Robert Anker



De nieuwe roman van Wanda Reisel heet Een man een man, wat zoals bekend de helft is van de zegswijze 'een man een man, een woord een woord', oftewel: houd je aan je belofte. Van trouweloosheid, misschien wel van verraad, is in dit boek zeker sprake, maar of daar beloftes aan voorafgingen vraag ik me af, tenzij onbewust in het hoofd van een van de twee mannen, in die zin dat het leven in het begin aan ons allemaal beloftes doet en dat die vaak verbonden zijn aan bepaalde mensen. Misschien bedoelt Wanda Reisel gewoon 'een man en nog een man', en dat klopt, om man en paard te noemen: de ene man heet Eden Pendraat, een merkwaardige naam zoals je die vroeger in boeken van de generatie van W.F. Her­mans vond (Zéwüster bijvoorbeeld, uit De donkere kamer van Damocles, die in Reisels boek terugkeert als Zéwüster), de andere man heet gewoon Duco Hellenberg. Vrienden sinds de eerste klas van het Spinozalyceum in Amsterdam, in het heden van de ro­man begin dertig.

Als het boek begint heeft Eden Duco zojuist vermoord en als het boek eindigt weet de lezer wat hij allang wist: dat het een geval van broedermoord is, want de vrienden beschouwen elkaar als broers, maar vooral dat het hier gaat om vadermoord, waarbij de een moet sterven opdat de ander verder kan le­ven. De laatste zin van het boek luidt niet voor niets: 'Zijn tweede leven was begonnen.' Dat slaat op Eden, de moordenaar, ik neem nu maar aan dat hij het echt gedaan heeft, hoewel hij zich zijn daad niet meer precies kan herinneren en zijn verwarde verhaal ook op Babet weinig indruk maakt. Babet was zijn grote maar onbeantwoorde liefde op school en haar zoekt hij nu. na dertien jaar, weer op. Met Babet heeft Duco hem op een eindexamenfeest bedrogen, hoewel hij Eden had beloofd (toch een belofte) haar nooit meer te zullen aanraken. De vrienden zullen elkaar dan driejaar niet meer zien.

Om nog even in termen van W.F. Hermans' genoemde boek te blijven: Duco is ten opzichte van Eden 'het geslaagde exemplaar', wat overigens niet inhoudt dat Eden een totale mislukkeling is, al vindt hij dat zelf vaak wel. Het is een kwestie van verhoudingen. Duco is een rijkeluiszoontje uit Buitenveldert, waar hij in een groot huis woont, alleen met een Duitse dienstbode, behalve als pa eens even over is van zijn zakenreizen. Duco is zelfverzekerd, brutaal, aantrekkelijk voor meisjes, altijd bezig met zaakjes, goed van de tongriem gesneden, opportunist, trouweloos, kortom, voor Eden (een stille, in zichzelf gekeerde jongen van burgerlijke komaf) het te haten ideaalbeeld. Maar - en dat wil ik nadrukkelijk vermelden - Duco betoont zich heel vaak een echte vriend. Hij regelt baantjes voor Eden, betaalt hem ook in moeilijker tijden zijn geld, neemt hem overal mee naar toe en betoont zich een verrukkelijke oom voor zijn zoontje Ilja.

Die Duco is me er eentje, al is zijn type niet helemaal onbekend. Hij steelt eindexamenopgaven, hij jat duizend gulden uit zijn vaders kluis om daarvan een auto met chauffeur te huren om de eindexamenfeestjes af te gaan, raakt in de iconenhandel in het Oostblok en komt in aanraking met een oude vriend van zijn vader, Maurits Brand, een steenrijke kunsthandelaar, die hem als chauffeur gebruikt en hem intussen de kneepjes van het vak leert, dat hij echter niet ambieert, hij begint liever een zeer lucratieve handel in valse Cobra-schilderijen. Het meeste doet hij samen met Eden, die hij na de dood van zijn vader een Porsche schenkt van de erfenis.

En Eden? Die hobbelt mee, geregeld geïrriteerd over de weldoenerigheid van zijn vriend. Intussen zet hij een eigen handel op in Engelse schoenen, die behoorlijk succesvol verloopt (hij wordt zelfs verkoper van het jaar). Maar hij blijft zichzelf een figurant vinden. 'Hij was niet van deze wereld geworden, het was hem niet gelukt. Hoe hij zijn best ook deed, hij kwam geen pas dichterbij de mensen, integendeel, ze verwijderden zich van hem. Als Anneke en Ilja hem zouden ontglippen wist hij niet wat hij zou doen.' Welnu, beiden ontglippen hem, zelfs op dramatische wijze, en hij weet inderdaad niet wat hij moet doen, maar dat wist hij toch al niet.

Dat hij Duco moet doden, is minstens symbolisch zeer aannemelijk, al is er voor de lezer het kleine probleem dat Duco altijd zo aardig voor hem is geweest, en als hem vervolgens Mau Brands kunsthandel als erfenis in de school wordt geworpen kan zijn tweede, echte leven beginnen, watje toch een positief einde kan noemen, maar daardoor lijkt het met de 'puinhoop' die hij van zijn leven zegt gemaakt te hebben ook wel mee te vallen. Is de roman hier uit balans of ontgaat mij iets? Het zal ermee te maken heb­ben dat bijna alle aandacht uitgaat naar het energiekste personage, Duco, waardoor Edens situatie te weinig contour krijgt. Verder is het zo dat Wanda Reisel, om Duco's karakter en de verhouding tussen de vrienden duidelijk te maken, zich genoodzaakt ziet allerlei machinaties, geschiedenissen en anekdotes uitvoerig te vertellen, waardoor de ro­man vaak langdurig in de oppervlakte van de gebeurtenissen vertoeft. Al deze zaken zijn tijdens het lezen echter non-existent omdat Reisel een briljant verteller is, met een snelle stijl en vooral een sterk ritme waarin zich een hoog tempo ontwikkelt en het uiteindelijke nabeeld is dat van 'een mooie roman', waarin de lezer door een grote hoeveelheid wisselende stemmingen wordt getrokken, van paniek tot gelatenheid, van somberheid naar geluk, van opstandigheid naar berusting. 

Website by JetNet - © Wanda Reisel 2012